200 GESTOORDE WEELDE-WANDELING.
in z’n kantoortje cijferde, administreerde, die ’r ongezouten op los kon grommen en vloeken als ’n bediende ’n stommiteit uithaalde, die naar theater noch museum ging, die tot zelfs zóó weinig belang in politiek stelde, dat-ie nog nooit ’n stembiljet had ingevuld, die van de krant hoofdzakelijk de marktnoteering en de advertenties las, niemand aanstoot gaf, noch zich voor iémand interesseerde, diezelfde man was krankzinnig met mormeltjes van honden. Eens had-ie waarachtig, misschien voor ’t laatst van z’n leven, om ’n affen-pinchertje gehuild, dat door ?n vuilniskar overreden werd, op de plaats dood bleef. Eens had hij, hij, de zuinige schraper, vijf-en-twintig gulden uitgeloofd voor ’n hondje, dat in ’t lieve voorjaar de lentegeuren boven eten-zonder-vet en *n mollig mandje verkoos — helaas vruchteloos! Eens, kort geleden, had-ie ’n maand lang den veearts betaald voor de redding van ’t beestje, groot als z’n hand, dat geen natuurlijke functies meer verrichtte, jammerlijk overleed. In z’n kantoortje, achter ’t magazijn, op ’t tochtvrij plekje naast ’t bureau, stond de mand. Eiken morgen moest de loopjongen ’t dek kloppen, schuieren. Uitlaten in de drukte der straat deed de heer Braat persoonlijk. Stapte-ie om twaalf uur ’t magazijn uit, om in ’t koffiehuisje-om-den-hoek ’n belegd boterhammetje te eten, dan tippelde ’t hondje achter ’m an, mee-smullend van ’t lekkers dat de baas zich veroorloofde. Tegen zes, voor ’t middageten, tegen den avond, bij ’t naar huis gaan, herhaalde zich in de volle straten de vertooning van den zwaar-lijvigen patroon, die ’t schraal schippertje aan ’n leertje achter z’n bottines trok. Waar de heer Maximiliaan Braat, ancienne maison Bonheur & Co., de bekende Cordonnerie française, nu officieel hofleverancier, zich met zijn nieuwste schippertje bewoog,