GESTOORDE WEELDE-WANDELING. 199
zware heupen tegen de panden der gekleede jas. Al van z’n dertigste jaar had zich ’t vervettings-proces voortgezet. Hij was ’n ruïne voor accor-deerende kleermakers, ’n schrik voor hoteliers.
Was ’t te verwonderen, dat de mevrouw-uit-de-Printemps er (achter z’n rug) op los giegelde, niet zoozeer om ’t overwelvarend voorkomen des over-buurmans, dan wel om ’t contrast met ’t schipperke ? Men zeide in de stad — de mèn met grijzende haren, die de historie der plaats van vader op zoon verhaalde — dat er in de jeugd van Maximiliaan Braat iets van droeve liefde geschiedde, dat om die begrijpelijke en romantische reden, hoezeer anders door bleekheid en vermagering in lengte van jaren beschaduwd, de opvolger van Bonheur ongetrouwd was gebleven. Daar niemand er evenwel 't juiste van wist, de heer Braat geen besluipingen van sentimentaliteit noch van te-lange-tong had, men hem in deze periode van lichamelijke gesteldheid geenszins op huwelijks-domheden taxeerde, aanvaardde men gereedelijk zijne genegenheid voor dièren. In vroeger eeuwen gingen lieden met 'n gebroken of wormstekig hart naar 'n klooster, schreiden reeks-van-jaren, dichtten in eenzaamheid, ondernamen reizen over landen en zeeën — thans, berustender, minder opgewonden, levens-lievender, wijdt ’n gewonde zich (onder meer) aan poesjes, honden, kanarie-vogels en meer doddige, snoezige varianten op het lastig diersoort mensch. De heer Braat, die geen kat kon luchten, had eene zonderlinge verteedering, eene hartstochtelijke voorliefde voor de kleinste rashondjes. Naar 'n Sint-Bernard, ’n Ulmerdog, ’n Schotschen herdershond, zelfs naar ’n fox keek-ie niet. De ongezond-dikke man, uitsluitend voor z’n zaken, voor niets anders levend, de man, die van ’s morgens negen tot ’s avond tien