VERZOENINGS-FEEST. 183
Jan, die onwillekeurig meegelachen had, leunde met *n strak gezicht achteruit. Uiterlijk rustig ’t vuur van z’n sigaar beblazend, had-ie moeite te blijven zitten. Bij de bruiloften van Guusje, Trui, Dientje, Piet, was ’r urenlang an tafel voorgedragen, gesproken, had-ie zelf als clown meegedaan — hier bij de geforceerde festiviteit, toonden ze zelfs niet de welvoegelijkheid, om Piet te laten uitspreken. Voor móéder zou-ie doen, alsof-ie niks merkte. Zich vooroverbuigend kreeg-ie medelijden met z’n vrouw, die met ’n hoogroode kleur stijf rechtop zat, zich honderdmaal onhandiger, hulpeloozer dan anders toonde, omdat de eterij eindeloos-lang duurde, omdat Trui en Guusje 9n paar maal Fransch met elkaar hadden gesproken èn omdat ze gedwongen op allemaal dingen most antwoorden. Toen Piet met z’n mes stilte in de stilte vroeg, had ze diepongelukkig 9r lepeltje door den room getrokken, bang dat de akelige, zich anstellende schoonzusters, die telkens met s t r a k-s tarende oogen lachten, 9r tranen zouen opletten — want, o God, ze had zoo tegen de gelegenheid opgezien, en toen Piet ineene plechtig begon te doen, om ze toe te spreken, net as de ambtenaar van 't stadhuis, die ’r had laten grienen — zoo’n mal dier was ze! — toen Piet met z’n servet stond te wurmen en an de woorden broer en zuster toe was, had ze moeite niet in ’r tranen te stikken — had ze niks meer gehoord, niks gezien. Bij ’t vroolijk gelach der anderen om Willem’s mop, had ze meegeglimlacht zonder te weten waarom; nou in de kille, benauwende, vijandige stilte, wist ze niet of 9t paste verder ananas-roomtaart, die ze niet bliefde, die ze voor ’r fatsoen niet dorst te laten staan, te eten. De versche zalm, waarover Trui en Guusje hadden geroepen, had ze op dezelfde manier als 9n drankje