I 82 VERZOENINGS-FEEST.
hoestend op, Guusje hield ’r servet voor den mond geperst.
Even keek Piet nijdig. Dan met ’n zenuw-vaart propte-ie z’n woorden saam: ....„Nu jullie de gewichtigste stap van jullie leven gedaan heb, ’n stap waarvan wij heden-middag getuigen zijn, wensch ik jullie, waarde broer en waarde schoonzuster, zegen en voorspoed. Wij hopen Jan, dat gij in uw huwelijk — in uw huwelijk — het geluk zal vinden, dat uw moeder en uw familie u van harte toewen-schen en schoonzuster, deze wensch geldt, geldt, geldt".. .. Hij zat vast, zou er mogelijk nog uit los gekomen zijn, hadde Willem niet droog-komiek als-ie wel meer zijn kon, gevraagd:
„Wélk geld?”
De tafel lachte, ook ’t jong-getrouwd paar. Half uit z’n humeur plompte Piet in z’n stoel terug. De slip der servet duwde-ie tusschen de punten van z’n boord en ’n hap van de portie ananas-roomtaart, die-ie in den steek had gelaten, nemend, zei-ie: „Ja, as jullie me niet an 't woord laten, hou ’k me mond”....
„Je zat zoo van geld te hakkelen,” lachte Willem na: „dat ’k effen most informeeren wat voor geld je bedoelde!”
„Nee Piet,” zei Guusje, de lach-tranen uit ’r oogen vegend: „jij ben niet voor spreker in de wieg gelegd.”
Er gaapte ’n stilte. De zilveren dessertlepels be-rumoerden de borden — de papegaai overkraste de tralies der kooi — van uit de keuken benee, klonk ’t uitgelaten gelach der meiden, die ’n half fleschje wijn hadden gekregen.
„Da’s nou niet aardig, Piet,” sprak moeders bevende mond: „da’s lange na niet aardig” ....
Ze had verstandiger gedaan ’r mond te houden. De gêne werd 'r grooter om.