VERZ 0EN1NGS-FEES T. 181
in ’r laatste dagen — lang maken zou ze *t niet meer, dat vóélde ze — toen keken de zusters mekaar aan, en den volgenden dag kwamen Jan en Amélie voor ’t eerst bij moeder op bezoek. Moeder zag niets door ’r tranen, en Amélie, bekeken en ontleed door ’n aantal, vijandige oogen, verwelkomd door de „Dag liefies” des uitgelaten lorres, telde in ’r verlegenheid enkel de bloemen van ’t axminster. ’n Maand later, na de plechtige tweede-klasse inzegening op ’t stadhuis — de kerk wou de familie liever mijden — was het déjeuner-dinatoire bij de ouwe mevrouw thuis, uitsluitend voor broers en zusters, ’n prachtig d é j e u n e r-d i n a t o i r e, want al was de wrok onverminderd — van lekker eten hielden ze allemaal.
Piet, opgestaan, de servet in de eene, het mes in de andere hand, de oogen dwalend van z’n bord naar ’t schaaltje met fondants, pralines, geconfijte vruchten, zette robust-van-aanloop den speech met
’n „ Bruid en bruigom — moeder, broers en zusters”
.... in. Jet, innigst-bijgeloovig, bracht ’m ’r subiet uit. ’t Gespeel met ’t mes kon ze niet zien.
„Toe, Piet, zeg, leg je mes neer! Daar komt ruzie van en ruzie hebben we zat gehad” ....
„Stilte! Suscht!”, maande Willem.
’t Mes klepperde op ’t bord. Onhandig met de servet wriemelend — as ze ’m doodsloegen wist-ie niet wat-ie most zeggen — herhaalde Piet. „Bruid en bruigom — laat ik liever zeggen broer en zuster!”....
„ Dag lief-ie-ie-ie-ie! Goeie möööörge! Goeie mööóor-ge!”, interrumpeerde de papegaai, z’n snavel langs de tralies roetschend.
Trui, vlak over Amélie gezeten, schoot in ’n proestbui, Gerrit verslikte zich, stond benauwd-