MUZIEK- VERHEUGENIS. 175
S u b-a anteekening E. ’n Nachtegaal zingt nimmer storend. Bij vreugde, smart, inertie, gebrokenheid, bij slaap-kloppendsten hoofdarbeid, in alle nuances van stilte, vloeit z’n geluid als de adem van kinderlippen, ’n Haar piano berammelend, beklep-perend, doorklomperend, afbeulend buurvrouw-dier-tje — o, schendend aphoristisch pendant! — zet ’r rauwe nagels in je vléésch. Hou je van muziek, dan maakt ze je gek — hou je niet van muziek dan pijnigt ze je dol.
Over me woonde ’n door-en-door nette familie. Ze waren aantrekkelijk in hun arbeidzaamheid, de man, de vrouw, de twee dochters, de zoon. Tegen avond, na volbrachte taak, schemerden ze tot tien, elf uur. En schonken — welk muziekerig mensch schenkt niet ? — de martelende, schunnige, porder-kloppende, sekuur-morrelende, alle nevenhuizen door-driestende walsen-ouvertures-sonates-klavier-hutspot-terij van ’n ... pianola, ’n Heksen-sabbath is 'r ’n toetje bij — ’n likkebaardende poes, ’n verschrompeld flensje. Technisch góéd behandeld kan ’n pianola eene suprème zieleverschalking zijn, gemanoeuvreerd door dikke vingers en bottines, cancaneert ze je je huis uit.
Sub-aanteekening F. Er is eene Doopsgezinde Gemeente. En dat is goed. Bij God. Waarom geen Gemeente, die op den eersten levensdag des kinds plechtig bezweert dat hetzelve geen instrument zal betoetsen vóór het zooveelste jaar ? Muziek brengt door godlijke handen tot de aanvoeling van ’t Hoo-gere — waarom dat Hooge zoo vróég te ontwijden ?
Sub-aanteekening G. ’n Orgeldraaier, zwee-tend als ’n beest, nu links, dan rechts draaiend —