MUZIEK- VERHEUGENIS. 173
eenigen huiselijken haard te ontwaren, zónder rederijker, dichter, prosateur, schilder, zanger, pianist, violist of geléérden zoon. Die velen, ónvolprezenen, sieraden der familie, oogappels en verstootelingen, bewegen zich in de maatschappij geluidloos. De litéraire kranten, weekbladen, maandschriften, jaarlijks pakhuizen talent verwerkend, hoeveelheden begaafdheid niet-te-schatten, doen 't geluidloos. In de duizenden schildersateliers en academies arbeidt eene kunstzinnige bevolking van lijdenden en worstelenden — nà hun dood eerst erkend — die doek bij massa’s verbruiken èn penseelen èn tubetjes verf èn ezels èn paletten — en ze doen ’t geluidloos. Tooneelspelers, declamatoren, beeldhouwers, architecten, etsers, drijvers enz. zwoegen, snorren, sjouwen (binnenskamers) vrij wel geluidloos. Alleen de duizenden en nog eens duizenden muzikale trotsen der familie, de tienduizenden pianisten, violisten, hoboïsten, cellisten, om de tienduizenden zangers en zangeressen voorbij te gaan, geven hun buren gulweg ’n deel van ’t klan-kengeraas, het Génót — ze kleeden zich uit tot op *t hemd, om de muziek-berooiden, de muziek-behoef-tigen, de muziek-ontberenden bij te springen, óók te voorzien, te laven, te verlustigen — ze kunnen de ontroering niet binnen de éigen wanden houden, nóch de ragfijnste melodiën hunner ziel — ziel, opperste, geheimzinnigste Tempel van ’t Schoone ! — met gevouwen handen, gesloten oogen, fluisterende, troostende, aanmoedigende stilte, aanhooren.
Sub-aanteekening A. De zondvloed der muzikale begeestering heeft het nadeel (zie boven) dat hij geen vervloeiing tot Geluidloosheid kent. Men zou dit een bezwaar kunnen noemen.