KWELLING.
morgen heb je ’t nog gedaan — gister — eergister — eiken dag — soms twee-, driemaal....
Hy. Wat?
Zij. ... V Portret verlegd....
Hij.. . . Da’s niet waar....
Zij. ’k Smeek je, zeg dat niet. Je maakt ’r me zoo angstig mee, zoo afschuwelijk angstig.
Hij (zacht) ’t Is niet waar.
Zij. ... Dien avond, toen hiernaast de haard brandde, toen ’k je de krant had voorgelezen, en voor m’n bureautje toevallig de portretten van vrienden en kennissen bekeek, nam jij ze een voor een in je handen, vroeg wie ’t was.... Bij dat van haar, boog je ’n hoekje om (een stilte).... Bij die van je vader en moeder niet — Ook niet bij ’t mijne.
Hij (glimlachend). Dat moet ’k onbewust hebben gedaan — of ’n toeval.
Zij (s m a r t e 1 ij k) Ik lei haar portret —
mèt ’t hoekje — onder de andere in de la. Den volgenden morgen lei boven — iederen dag op ’n andere plek — iederen dag verschoven. Nog gister, nog vandaag. — Dat is alles.
Hij (na een stilte). Misschien bèn ’k 9r aan geweest. — Als je dat zoo vreeselijk ontrust, neem ’t dan weg verscheur 't. Dan hoef je niet meer te controleeren.
Zij. En dan .... (h a r t s t o c h t e 1 ij k....) O, ik zou ’t kunnen uitschreeuwen! Die kleinigheid heeft me zoo wanhopig gemaakt — vóór ik den moed had ’r over te praten! Als je stil zit, niet praat, niet beweegt — als je glimlacht, nadenkend ben, mijmert — als je iets liefs zegt, iets teers, iets innigs, verbeeld ik me, dat je haar voor je ziet — niet mij ....