KWELLING. 157
zoo ineens, zoo plotseling, zoo onverwacht op reis gegaan? Waarom niet één brief? ...
Hij (dof). Omdat — omdat ik toch niet meer lézen kan, domme meid....
Zij. Had ik ze niet voor kunnen lezen?
Hij. Natuurlijk....
Zij. Waarom schreef ze dan niet?
Hij. Dat begrijp ik niet...
Zij (moeilijk over ’r aarzeling heen). Zie je, lieve, lieve vent, ik zou God zoo danken, als je niets voor me verborgen hield, als ’k ’t heerlijk, vertrouwelijk gevoel had, dat ik alleen voor je bestond, ik alleen in je hoofd leefde, ik alleen — als in de jaren toen je uren geduldig wachtte om me enkel te zien ...
Hij (v r i e n d e 1 ij k-h a r t e 1 ij k). Heb ’k niet alle reden van dankbaarheid, kind — alle, alle reden voor ’n oppassing waarvoor ’k geen woorden kan vinden ?.... Als ’k de toppen van je vingers kus, zie ik je blond haar met de scheiding in ’t midden, en je bruine oogen, en je neus, en je mond, en je kin, en de kleine moedervlek bij je hals. Ik ben je zoo dankbaar voor je toegewijdheid, je geduld, je oneindige tact tegenover mijn buien van prikkelbaarheid, dat ’k geen minuut buiten je zou kunnen stellen — (een stilte). — Zijn we uitgepraat?
Zij (triestig). Nog niet.
Hij (verrast). Nog niet?
Zij. Iets heb ’k nog verzwegen.
Hij (hulpeloo s-g e ï r r i t e e r d). Heeft ’t niet lang genoeg geduurd? Hebt je ’r lust in ’t te rekken? Zeg op! Zeg op!
Zij. Als ’k je ’r zóó mee ontstem — liever niet.
Hij (driftig). Zeg op — nou wil ik ’t!
Zij (aarzelend, dan snel). Ik vind ’t zoo ellendig, zoo.... Maar ’t móét — ’t móét. Van