KWELLING. 159
Heb ’k niet één vrijheid meer? De vrijheid van herinnering aan dit, aan dat! Je maakt me krankzinnig — je maakt me gek, met dat opdringen van dingen die niet bestaan, die niet bestaan hebben, die niet bestaan zullen! Snuffel de la met portretten na, smijt ze weg, let op elk van m’n gebaren, op elke stilte, op elk zwijgen, maar wroet niet in hersens — die afgebeuld zijn!
Zy (h a r t s t o e h t e 1 ij k). Als ’k de macht had te wéten wat ’r in je omgaat!
Hij. Heb je die vroeger gehad, toen ik zag?
Zij. Nee.
Hy Waarom kwel je je dan nu — nu ik hulpeloos ben?
Zy. Omdat ’k zoo vurig hoopte, dat je dóór je hulpeloosheid alleen voor mij zou zijn.
Hij (m a t). Dat ben ’k.
Zij (smeekend). Zeg me dan — ik hou zooveel van je — zeg me dan, dat je enkel mij voor je ziet, als je ’n uur van tevredenheid heb. — Dan zou je me zoo gelukkig maken.
Hij. Enkel jou.
Zij. Altijd?
Hij. Altijd. — (leunt achterover) — En laat me nu alleen. Ik ben moe.
Zij (hem kussend). Niet boos? Nee? — Ik heb toch alleen jóu. (verlaat aarzelend de serre).
Hij (zit met gesloten oogen, staat tastend op, gaat op de la van het bureautje toe, bevoelt de hoeken der portretten, neemt er een, drukt er de lippen op, verscheurt het).... Ik weet ’t toch, toch.
Zij (weer binnentredend, verrast). Ik dacht, dat je ....