KWELLING. 155
Zij. Nooit, nooit heb ’k ’r ’n syllabe over gezegd
— omdat zij m’n vriendin was. En jij zei geen woord, ’t Was de eerste keer, dat we over zóó iets zwegen — dat ik huilde als jij 't niet zag. (staat op, schuift z ’ n stoel ’ n weinig uit de zonnebranding weg). Zoo zit je beter, 't Is daar te warm. (zit weer op de tabouret, z w ij g t even)... Op ’n avond — in Augustus — haast twee jaar geleden — zaten jullie hier, in de schemering — weet je nog ? — en toen ik binnen kwam — (zeer aarzelend) verbeeldde ’k me, verbeeldde ik me....
Hij... Dat ? . ...
Zij... Dat je haar hand los liet....
Hij.. . Dat heb je je niét verbeeld, ’k Liét 9r hand los. Zij was beter dan ik. Ik had de kleine, kleine schuld. Ik. Zij niet. Als je dat nou nog kwalijk neemt in m’n toestand van vandaag, moet je dat zelf weten.
Zij. Als ’k ’t kwalijk genomen had, zou ’k ’r toen over los gekomen zijn. Tóén. Je hoort ’t nu voor ’t eerst. Zij, m’n intieme vriendin — jij, m’n man — dat kon niet — dat was onbestaanbaar — daar wTaren jullie te goed voor. Ik zou me geschaai hebben iets te zeggen.
Hij (z a c h t). Ik flirte — zij niet.
Zij. ’k Ben nog niet uitgepraat. Of?... (h ij s c h u d t ’t hoofd)... Toen ’t ongeluk gebeurd was, ’t vree-selijke, hebben we gedaan wat we konden — zij en ik — zij en ik — zij meer dan ik. ..
Hij (gej aagd).. . Jij.
Zij. Niet waar. Nee, niet waar. Ze heeft meegeholpen je te verplegen — ze was haast niet van de vloer
— ze bewoog zoo bezorgd als ik, huilde — als ik. Wij twee — ja, wij samen — hadden ’n échte vriendin aan ’r, ’n troost, 'n steun, om op je knieën voor