154 KWELLING.
Zy (d o f). Alleen niet met mij.
Hij (een weinig onrustig).... Met jou niét? Als je denkt, dat ik.... dat ik.... Praat jij dan. Niewaar?
Zij. Zul je niet boos zijn ? (h ij schudt lachend ’t hoofd). Beloof je dat vast? (hij knikt). Zoo eerlijk als je maar iets beloven kan?
Hij (glimlachend twee vingers opstekend). Wil je dat ’k ’r bij zweer — (bitter) — bij den Almachtige?
Zij (z’n hand omlaag trekkend, die vurig kussend). Nee. Dat hoeft niet. Als je maar belooft, innig belooft, dat je geen rancune zal houen. Niet om alles in de wereld, zou 9k je met ’n kleinigheid willen hinderen — dat begrijp je — dat voel je. Zoolang 'r niet over gesproken is, blijft 9r iets tusschen ons... (een stilte).
Hij‘. Nou dan.
Zij (aarzelend). Goed .... Als je, wanneer ik je op de een of andere manier pijn doe — misschien lach je 9r om — me waarschuwt, dat ’k m’n mond moet houen .... Ja? (h ij knikt). Zie je, toen je oogen nog zoo gezond waren als de mijne, keek je wel eens naar andere vrouwen — God gaf dat je ’t vandaag nog kon! — en als ik dan knorde, zooals iedere vrouw, niewaar, daarvoor zijn we vrouwen ! — dan zoende je me in m’n humeur....
Hy Ja, ja----
Zij.... Je vertelde me alles. Je had niet één enkel geheim. Dat dacht ’k tenminste — tot kort voor je ziekte. — Als je, haar had gezien, kon je van mij geen woord velen — als je met haar had gepraat, was je stil — als zij kwam, dee je vroo-lijk — als we met z’n drieën waren, dorst je 9r niet an te kijken .... Wil ’k liever?....
Hij (z a c h t). Ga door ....