KWELLING. 153
Hij Waarom doe je ’t niet?
Zij. Omdat.....
Hij. Omdat? ....
Zij (zich bedwingend).... *k Ben al bezig, (schrijft even in stilte, werpt gejaagd de pen neer). Ik kan niet. Ik stik. (stoot een deur in den glaswand open, blijft er hijgend voor staan. Hij beweegt niet. Met moeite ’r snikken bedwingend, gaat ze op hem toe, schuift een tabouret bij, grijpt z’n hand, die hij zonder verweer in de hare laat). Laten we nu eens uitspreken — heelemaal uitspreken ....
Hij. Waarover? Wat bedoel je.
Zij (z’n hand loslatend). Over Tc Dacht....
Terwijl ’k m’n brief schreef, kreeg ’k zoo’n wanhopig gevoel, was ’t of jij in gedachten zat, in gedachten, die____
Hij. Geloof je, dat ’t ’r iéts toe doet, of m’n gedachten al of niet opgewekt zijn? ’k Wil ook wel lachen, als *k je 9r mee plezier, 't Moet prachtig weer zijn. ’k Heb de vogels in geen tijd zoo tekeer hooren gaan.
Zij. Wil je wat wandelen?
Hij. Om door iedereen nagekeken te worden? Nee.
Zij. We kunnen toch in den tuin?
Hij. Dan zien de buren me. Nee. (lachend) ’k Heb vandaag geen lust beklaagd te worden. Neem niet zooveel notitie van me. Da’s niet de goeie manier. Hoe minder je.... (z ij barst in snikken uit)... Nou. Waar dient dat voor? Als je met huilen blinde oogen ziende kon maken, had ’k lang weer ’t gebruik van die dingen gekregen.
Zij. Als je uitsprak ....
Hij. Uitsprak ? Wat kom je telkens op ’t zelfde neer! Ik — ik heb, meen ’k, voorgoed uitgepraat — met alles.