KWELLING. Een dialoog.
Dramatis Personae.
Hy.
Zij.
(Het tooneel verbeeldt een in zonlicht glanzende serre. Langs den achtergrond fleuri g-b loeiende palmen en heesters.)
Zij (voor een dam es-schrijf-bureau, laat den penhouder vallen, kijkt voor zich heen, draait zich langzaam naar hem toe)....
Hij (in een rieten tuinstoel, ontvouwt de handen, luistert).... Waarom hou je op ? Je schrijft niet meer....
Zij. Zit je niet te veel in de zon?
Hij. Nee.
Zij. Zal ’k je stoel toch maar niet liever ’n beetje verplaatsen?
Hij. Nee. Nee. ’k Vind die warmte heerlijk. —
Laat me maar stil zoo. — En schrijf......
Zij (herneemt den penhouder, blijft voor zich uitstaren).