KINDEREN DER ZORG. 143
tellen, bouwen we ’t eene letteren-gebouwtje na ’t andere, bewust of onbewust fantaseerend in den geest van die ons na staan. Zoo groeide in den loop der eeuwen eene levens-tendenz, die aan het oppervlak genomen, geen tendenz meer lijkt, omdat we er allen van af de fopspeen zóó aan gewend zijn geraakt, als aan kousen en liefst heele-zolen. De vrijheid van een auteur wordt door de mijl-paaltjes zijner gemeenschapsgenooten aangeduid. Omdat een schrijver zónder lezerskring, zónder aandacht, in den regel een doodgeboren individu pleegt te zijn. Een manuscript krijgt eerst léven door het mee-voelen en mee-denken van anderen. Om die reden wordt er wel eens meewarig gepraat over Abraham Kuy-per’s zoeten, kregel-makenden verzamelnaam „Kleine Luyden”, maar de beschrijvende literatuur over die menigte, vindt noch smaak, noch onstuimigen kooplust, noch.... snobs.
De verre horizon, lichtend in violette wolkjes en lila gekartel — het pompeus bazuin-gestoot, dat kunst bóven het gedoe dezer aarde moet verheffen en van-zelf-gesproken boven het gekriel van sloppen, steegjes en achterbuurten — de heele visie van kunst in eene astrale sfeer, aureool van schoonheid, die schoonheid, d. i. Schoonheid is — is in feilen opstand tegen het sjagrijnige, grijs-egale, rampzalige, aan schoonheid van natuur en kunst ontscheurd bestaan der wee, als vlier smakende titulatuur.... „kleine luyden” .... De fijngevoelige auteur Frans Coenen, aangetrokken door het veeltijds vreugdelooze der onderste burgerij, is geen bemind vleesch. Men verlangde vurige romans in de straten-van-alleen-’s Zondags-’n-balletje-gehakt-of-’n-lapje. Herinnerde men zich niet uit z’n jeugd de heerlijke vervolg-deelen van Dumas, Victor Hugo, Sue, Xavier de Montépin, het gehos van ridders, misleide maagden, dolkstooten,