KINDEREN DER ZORG.
Er zijn — ’t behoort waarlijk tot ongemeenst-zonderlinge — enorme kringen van levensleed, die wij, auteurs en auteurtjes, bij voortduring mijden, omdat wij er ons niet dan bij toevallige uitzondering in bewegen, en omdat onze trouwe lezers aan iets anders behoefte hebben dan aan wat op een afstand aanschouwd — de meest-tragische verveling, verveling« van-elken-dag, verveling zonder einder en schoonheid, machtlooskruipende verveling, lijkt te vertegenwoordigen. Soms, als we den oppersten Droom in kunst-uiting zoeken, in letterkundige fantasieën, muziek, schilderijen, tooneel, dringt zich bij eene zooveelste teleurstelling de gedachte op, dat de mensch een bijzonder fraai specimen is, maar de natuur zijn scheppingen van beeld, kleur, geluid, gebaar, in oneindige mate overtreft.
In dergelijke onredelijke besluipingen neemt kunst den schijn aan van een surrogaat, dat we geheel zouden kunnen verwerpen, als een artificieel bestaan ons niet van de vol-heerlijkheid der natuur gescheiden hield ....
Toch, in andere stemming de lijn-van-surrogaat hervattend, gedreven door de pathologische neiging, om altijd weer van menschen aan menschen te ver