GEFILEERDE HARING. 141
Leo z’n handen naborstelde: „doe mijn ’t genoegen en smijt de herrie in de vuilnisbak/
„Nóg is reddere,” zei de meid dries: „’k zou je danke. Dat mot meneer dan maar doen, as-ie toch de keukepiet uithangt. ” ....
Het werd met het cadeau dat geen cadau was, mèt *t verknoeien van haringen, die je an mootjes snijdt en niet tot moes kerft, mèt Saar’s brutaliteit en de stijf geworden aardappelen, ’n verjaardagsmaal met gapingen.
Daar had ze na motten raaien — in die warmte.
Juli ’06