140 GEFILEERDE HARING.
„Wel god-nog-an-toe,” zei Fie zonder aanloop „zijn jullie gek geworden? Wel god-nog-an-toe, wat voer je uit?"
„Ik fileer,” antwoordde de schoonzoon, en gelijk lukte ’t met de graat, zonder dat de staart meeging.
„We zorgen voor ’t hor-duiwre,” sprak de man, matig-vergenoegd, toch blij dat hij niet met vette handen gesnapt werd: „we wouen is kijken Fie....” „Kom asjèblièf de keuken uit, de schoone keuken, waarin Saar de heele dag heeft staan ploeteren.” „Laat me die eene af-fileeren,” zei Leo, en nou-ie éindelijk zoo ver was, nou de derde haring, zonder vuil, zonder graat, zonder huid, bereid was gedraaid te worden, greep-ie de twee staartslippen, en bekeken door de ontstemde vrouwen, die de smurrie op de aanrechtbank met soorten-van-verbolgenheid aanschouwden, scheurde-ie ’t vleesch van een. Helaas. Of ’r vloek op rustte — öf zooveel oogen ’r de zegen van afnamen — öf dat de haring te jong was — ’t kunststuk ketste.
„Mis,” zei-ie, de ontredderde brokken bij de papperige restanten op ’t papier leggend: „’t Wil niet” — „Wil je de keuken uitkommen, Leo?”, vroeg nu ook Bets in hereditairen toon: „as je toch wéét dat ma geen haring lust!”
„En nou mot je is kijken,” wees Rachel: „hoe ze d’r al drié verknoeid hebben! Da’s heerlijk, da’s om van te watertanden — haché van haring! Pudding van haring! Wat 9n zonde voor God.”
Bij den gootsteen was schoonzoon al bezig z’n handen met ?n kluit groene zeep te wasschen. Saar, met ?n spichtig-bleek gezicht, rommelde met pannen en deksels.
„Doe mijn ’t plezier, Saar-lief,” verzocht mevrouw gedwee, terwijl meneer de keuken uit droop, en