134 GEFILEERDE HARING.
„’t Zelfde, schoonpa,” zei Leo, z’n hand schuddend. Fie, de jarige en Rachel, puf van de warmte, genoeglijk van likeurstemming, bleven glimlacherend op stoelen.
„Hoe kom-ie binnen met je jas an!”, begon de jarige zacht te verwijten, maar den bobbel onder de demi oplettend, praatte ze luidruchtig: „o, ’k begrijp! Da’s me kedo.... Maak me nou niet nieuwsgierig! ’k Dacht al da-je me vergat! Natuurlijk, de veeren boa, die we gister in de Galerij hebben gezien!”....
„Je brandt je!”, zei-ie ’t pakje van onder de demi krijgend, en ’t naast de likeurglaasjes op tafel stellend: „knap as je raait wat of ’r in zit.”
„Doe me één genoegen,” protesteerde de jarige: „en la-me niet in die warmte raaien — je weet hoe zenuwachtig je me daarmee maakt! As ’t de boa niet is, wat is ’t dan?”
„Tién gulden as je ’t raait,” hield hij lacherig vol, asof-ie niet wist hoe ze ’r ’t land an had.
„Pa, plaag ma niet op ’r jaardag,” zei Bets, die zelfs bij feestelijke gelegenheden kwestietjes om zoo’n kleinigheid had zien aankomen.
„Is dat aardig?”, vroeg Rachel, zich *r ook mee bemoeiend: „in plaas van vanmorgen kom je d'r nou mee — en nou nog raaien — as dat grappig is, weet ik niet wat ’n grap is” ... .
„Daar dan,” hakte hij den knoop door, bevreesd voor de in stilte overgaande ontstemdheid der jarige, waarmee niet te gekken viel.
’t Pakje opschuivend, verlustigde-ie zich in de stijging van ’r aandacht bij 't loswrikken der touwtjes en vochtige papieren.
,/n Vaatje haring!”, riep Bets ’t eerst.
„Haring,” herhaalde Fie, en ’r stem zwalkte in de branding van verwonderingsaccenten: „ .. . .ha