GEFILEERDE HARING.
Op een snikheeten uitzonderings-dag der haring-maand Juni, onzeker wat-ie ’r op ’r jaardag zou meebrengen — ze had niet alleen alles, maar ze maalde om niks — en ’r in de belabberde warmte natuurlijk op ’t laatste moment aan denkend, kreeg-ie door ’t gevlag van de visch-winkels, den vrij wel onzinnigen inval *n vaatje nieuwe, echte, pas aangevoerde maatjesharing huiswaarts te sjokken.
Saar, de meid die ze al veertien jaar hadden, en die met ’r vrijpostigheid de heele familie op den kop zat — elke maand kreeg ze gedaan en eiken eersten werd ze terug genomen — feliciteerde ’m in ’t portaal.
„Nog veel jare gezondheid en voorspoed,” wenschte ze, stevig z’n hand drukkend, en onmiddellijk de hare beruikend, viel ze gemeenzaam uit: „Wat zalle me nou hebbe! Het u paling gegete? U mag uw hande wel wassche .. . .”
Vergenoegd-grommend schoot-ie ’r voorbij, de huiskamer in, waar de jarige met Rachel, die bij ze inwoonde, en met Bets en Leo, an ’n zoet likeurtje bezig waren.
„Dag pa — wel gefeliciteerd!”, riep Bets, ’m met likeur-kleverige lippen ’n smakkenden zoen gevend: „en wat ’k wensch, nou dat weet u.”