EN WILLEM KEER TERUG. 77
en vermaledijde gymnastiek der Duitsche taal op te leggen. Begrijp me goed, Willem — ’k heb niets geen lust de kastijding der Duitsche kranten opnieuw aan te halen! — ik hóud van het Duitsch, van het Duitsch zooals we het leerden liefhebben, ja, 'k hóud daar van — maar uw waaghalzerij, uw gezocht bewegen om nu weer Duitsch acteur te worden lijkt mij dezelfde afschuwelijke saltomortale van De Vries....
We zitten vast aan onze huid, onze oogen, onze ooren, onze tong, onze taal met ’r duizend kleine mysteries en intonaties, gelijk ’n buitenlander aan de gave zijner wieg. en als gij, hooger stevenend dan onze ver-engelschte vriend, ’t neusje des zalms te grijpen krijgt: wacht u in dat ander land, waar uw spraakinstrument thans wanhopig voor-oefent, wacht u daar een ander plankenland met beter geconserveerde illusies, tintelender Ideaal?
Staan er internationale mijlpaaltjes op het land der illusie?
Dreigen er wachters aan de grenzen, die u beboeten als ge snooder illusie smokkelt dan toegelaten en erkend — of op 'n brok van uw Ideaal beslag leggen ?
Donnerwetter, Wilhelm!
Als ’t zoo voortgaat, mijn vriend, als we na ’t tragisch vertrek van den genialen acteur Bouwmeester, den tooneel-koning, dien we Woensdag met muf en goedkoop enthousiasme en wat blommetjes voor ’n paar jaar zijn kwijt geraakt — en als dat zoo voortgaat, de een ver-engelscht, de ander ver-duitscht, om motieven die niet één artistieke bewijsvoering kunnen verdragen, zullen we ons teeder-bemind Hollandsch publiek, dat liever ’n kreupelen leeuw in ’n kooi ziet dresseeren of ’n weeë klucht