BIJ DE OEVERS DER LE THE. 195
even profiteerend van de panische orgie, mag een historisch overzicht gelascht worden! — dat Joop, die voor de gezelligheid vader en moeder van z’n vrouw te gast had, in ’n nieuwe stadswijk woonde, een te avond griezelige wijk met huizen in aanbouw en duistere velden. Bij dag, als de zon ’t niet bemorst groen met ’r verrukkingen te vlam zette, koppels werklui in de aardgroeven riolen metselden, bonkige paarden kipkarren over de rails trokken, de schellen van de karweien op vaste uren luidden, was de moderne benedenwoning met ’r erker en veranda ’n honnig zitje, maar in ’t avondduister, in diepste eenzaamheid, beluisterde schoonvader elk geritsel, werd schoonmoeder bang, en Saar, zenuwachtig vrouwtje, die van ’t begin tegen de woning op had gezien, wekte ’r man om ’n haverklap. Toen gebeurde ’r drie woningen verder ’n echte onvervalschte niet romantische inbraak, wel is waar zonder moord, omdat ’r niemand thuis was, maar ’t had ’n moord kunnen worden als er weerstand geweest was — ’n op ’n bedsteeplank verborgen kistje met zes zilveren theelepels werd gemoerd. De bovenburen hadden gerucht gehoord — an geen kwaad gedacht. En al zei de publieke opinie in de buurt, dat de zes lepels al-z’n-leven pleet waren — zilver, dat zat nog! — dat kon je makkelijk wijsmaken as ’t ’r niet meer was — al lasterde Opinie op bedenkelijke en afkeurenswaardige wijze, de inbraak was geschied. Duisterlingen hadden een slag geslagen. Justitie, politie onderzochten ter plaatse. Vergeefs. De eenzame wijk bij de zwarte geheimzinnige velden, kreeg een niet gunstigen naam, niet gunstig voor de huiseigenaren, niet stillend voor de gemoedsrust der het murenvocht wegstokende eerste bewoners. De buurlui links en rechts van den erker, gezinnen met veel kinderen, poesen en honden, leefden uiterlijk-onbewogen voort. Joop opgehitst Schetsen. XI. 13*