„GOUVERNANTE INTERNE” 187
knikkend, opmerking makend over ’n das die in kreukels hing, critisch pratend over Jansie’s haar, Keetje’s bottines, Mina’s handen, Willem’s nagels. Meneer ’n beetje meer joviaal, met moeite z’n gezonde grappigheid bedwingend bij mevrouw’s onvermurwbare oogen, stoeide met de jongens, voor zoover de beschaving ’t toeliet.
Plat van accent, met ’r Fransch vechtend, als ’n boer op ’n begrafenis met z’n hoogen hoed, zich overigens volstrekt niet geneerend, ômdàt ze betaalde, controleerde mevrouw de opvoeding van 'r kinderen.
„ ... .Maddemoizelle, Willèm a mains sales — ça doit pas.” Ze bedoelde dat Willem vuile nagels had, maar omdat ze op de verfransching van nagel niet komen kon, ’t vitterig verschil tusschen ongle en oncle al meer last had gegeven, en Demoiselle genoeg gezond verstand bezat, om te weten dat nagel en hand één waren, duidde ze de rest aan, door Willem’s smerigen jongenspoot tusschen duim en wijsvinger te vatten, en met 'n vrijen vingerde bezwarende rouwranden te indikeeren.
„Je l’ai dit trois fois,” verweerde zich de gouvernante tegen de vernietigende oogknipperingen van mevrouw; „Je lui ai dit trois fois, de se laver les mains. C’est de sa propre faute. Il fait ce que bon lui semble. Il a été désobéissant toute la journée. Madame le connait un petit peu” ....
„Ça doit pas,” herhaalde mevrouw bot, de eruptie van ’t snel-aanvloeiend Fransch uit den mond van ’t meisje met kalme zekerheid domineerend: „Ça doit pas. Woilà tout” .... Met ’n „Woilàtout” coupeerde ze alles.
Terugleunend in ’r stoel, de beringde handen vouwend, bespon ze ’n opmerking over ’n slependen veter uit Hendrika’s bottine. Doch niet in staat dezelve officieel te formuleeren, ’r aanloop met ’n