178 DE STOEL.
ze over mekaar zitten, allebei naar buiten kijkend, naar ’t sukkelstraatje met z’n kruidenierswinkel, waschvrouw en kruierskelder. Tot etenstijd spraken ze haast geen woord. Hij rookte, snoof, wrikte ’t kinnebakje om den doorkauwden pijpesteel; zij, onbeweeglijk, de oogen verzwommen achter de staal-glanzende brilleglazen, de bol-aarige knokelhanden ontfut in ’r schoot, scheen in teere bepeinzing de gordijnen, vensters, kozijnen, der overzij-muren te bepraten. Als ’k bij ze zat, zelf stil-droomrige jongen, de avonturen van Cooper, Aimard, Jules Verne verslond, hoefde ’k me vingers niet opnieuw in m’n ooren te kurken, — oom Edi besmakte z’n pijpje — tante Marretje snoof ’r adem, zoo effen van wieglenden slag of ze sliep, ’n Paar maal gebeurde ’t, dat ’t gelezen boek, doorsnuffeld tot de laatste bladzij, voor me bleef liggen en ’k met de handen om hoofd, de zwijgende ouwetjes diep verwonderd aanstaarde. Wat raar, dacht je, de suiz-lende kamerstilte bedroomend: wat raar — wat angstig — wat hebben ze ’r an zoo over mekander te soezen — de een doof — de ander halfblind — wat ’n plezier om je mond te houen — mekander is an te gapen. En als je om negen uur naar bed werd gezonden, heen-gedreigd door de stuursche mans-oogen van tante Ninette — als je viezig tante Marretje ’n zoen op *r droog-dor gezicht had gegeven — en je warme hand had gevoeld in de kille knokeligheid van oom Edi — als je in ’t donker, in de andere alkoof, onder de warmte der dekens ’t stemmengezoem en de enkele straatgeluiden lei te beluistren, dan leek ’t leven je ’n ding van huilerige verveling en de sukkelige tevredenheid der twee ouwe menschen maakte je onrustig.... Dom kalf, slaperig kind als ’k was, had ’k geen vleugje vermoeden van de schoonheid van zulk ’n