128 WEDERZIJDSCHE NERING.
dat ’r benejen iemand was om meneer te spreken. Laat dien meneer boven komen, zei de moeder. Nee mevrouw, dat kan niet, zei ik haperend. Toen stond de Duitscher op, dacht even na en reikte de twee vrouwen de hand. Ze stonden ook op, deeën of ze ’t niet zagen. Zonder ’n handdruk lieten ze ’m naar benejen gaan — en hij is niet meer boven gekomen.
Drie jaar gekregen. Misdrijf tegen de zeden ”
„En de vrouwen?” —, vroegen we klaar-wakker. „Die zijn nog twéé dagen gebleven,” sprak de hotelier: „twee dagen, tot ze zekerheid hadden. Toen zijn ze uit ’t hotel naar Duitschland vertrokken. Mijn vrouw dankte den hemel dat het geld ’r was — ’k hoop ’t zóó nooit meer te ontvangen. Zulke gezichten bij ’n lamp blijven je bij” ....
De klok tikte, loom van cadans — ’t gas suisde in de glazen.
„Ja, ja,” hernam de waard: „op uw kamer — op zéven gebeurd — ja ja.”
Uitgepraat, gevoelend dat hij als gastheer te veel over eigen zaken gesproken had, snorde hij weder littéraire herinneringen af.
„Weet u wat ’n móói boek is, meneer, om over andere dingen te praten — dat isHetzusje van Borel — ken u dat — hoe vin u dat? — Meneer Borel heeft hier ook is gelogeerd.”
„Ik ken Het zusje niet” ....
„En Het jongetje, meneer? Da’s ’n prachtig
boek. Daar dweept Toos mee”____
„Ik lees héél weinig.”
„Ach kom — dat zégt u maar!... Heb u nou nooit zórg om stof te vinden, meneer?”
„Ieder heeft zorg in z’n nering,” zei ik opstaand, Op de kamer — in m’n bed — lei ’k ’n poosje wakker — in de stilte.
18 Jan. 1905.