240 DROGE VROUWTJE.
voor negen. Nou zou ze wel komen. Ze las verder, kribbig, in de rake stemming om met de meid te kijven. Ze zou haar den dienst opzeggen... zoo’n schandaal... met zoo’n gemeene soldaat... Wat was die Dien ’n fatsoenlijke meid geweest... En had zij ooit. .. had zij ooit... Nou las ze van „burgerhuisjes” die te huur of te koop waren — van dashondjes en smousjes, die tegen rembours verzonden werden — van servetten, tafellakens, nachtjaponnen, luiers, die voor spotprijzen geannonceerd stonden — van een verpleegster, die in een krankzinnigengesticht gevraagd werd — van een baboe, van paarden, van droge minnen.... maar ze had d’r gedachten niet rustigjes bij de advertenties. Voor het eerst sedert jaren „genoot” ze niet. Kwart over negen, halftien... Vrouwtje dee onrustig. De klok tikte. De thee pruttelde. Zij zat voor het raam, turend door het spionnetje, telkens het raam afvegend, het raam, dat parelmoer beslagen werd door het ademhalen.
In de straat was het doodsch. Op een dakgoot kermden katten. Dolly, de zwarte, verharende kater keek zelfs niet op. Bij het geluid van de tikkende klok, de pruttelende thee, was nu weer het gesnurk van vrouwtje gekomen. Ze ging altijd om tien uur naar bed. Ze had slaap.
Toen het twaalf sloeg, schrikte ze op. Twaalf? Had ze de meid laten bellen? Was ’t al zoo laat? Het lichtje onder de thee was uitgegaan. De lamp had gestoomd. Zwarte, vieze draadjes dreven in de benauwde lucht. Ze dee het raam open, stak het hoofd naar buiten. De straat lag altijd lang, zwart, rustig. Het was een zachte herfstavond. Gele blaren ritselden over den grond. Sterren stonden an den hemel.
Had ze Mina laten bellen ? Had ze... Boven op