DROGE VROUWTJE,. 241
haar slaapkamer kraakte iets. Groote God! Was er iemand, was d’r een man! Ze luisterde met een angstgehamer in haar keel, dat ze niet ademhalen kon. Boven lag veertig gulden in specie achter het stapeltje sokken in haar linnenkast... Als er een man was. Ze dee kordaat de kamerdeur op slot, luisterde nog eens, maar ’t was stil. Waar die meid nou bleef! Waar die meid nou zat! Ze was toch ’n vrouw alleen... Ze zou nooit naar boven durven gaan door de donkere gang, de trap op, weer een donkere gang en dan de donkere kamer... Waar de meid nou bleef! Ze lag met het bovenlijf uit het raam, kijkend en kijkend in de straat, soms met een zenuwachtigen angst plotseling in de kamer zoekend of er iemand achter haar was. Ze praatte hardop met den kater. Ah er een man was, zou-ie denken, dat ze iemand bij zich had.
Half een sloeg de klok. De lamp begon uit te gaan. Ze draaide haar op, maar er was geen olie meer in en de olie stond in de keuken. In het halfdonker der kamer gloeide het roode kransje, dat opflikkerde als ze zenuwachtig aan het rondseltje plukte. Nog wat stuiptrekkingen en het werd donker.
Vrouwtje huilde.
Tingelingeling.
Beneden stond de meid.
„Ben jij daar Mina?”
„Ja juffrouw!”
Uit het raam werd de huissleutel geworpen. De meid maakte de buitendeur open, veegde de voeten op de mat. In de keuken stak zij haar lamp an, keek in den spiegel. Ze had een hoofd, vuurrood, verhit van het loopen .. . Wat zou de ouwe binne zegge! Nou!