198 ENGAGEMENT.
gordijnen met de zwarte, doezelige kruizen. Op straat hoorde ze iemand voorbijgaan. Stap voor stap. Nou bonsde z’n voet tegen het ijzeren raster van de waterleiding voor de deur. Nou ging-ie den hoek om, was het weer stil.
Was het niet om het even, waar je te huilen lag op je kousen?
Was het niet om het even, of je leven voor je stond als een braking van zwart, in de stad hier... of daar... in de binnenlanden ?
Maar hier droomde je soms nog van een geluk, van een iets dat niet te zeggen, niet te bepraten is. . . hier hield je vast an een wonder, een teeken van God... hier droomde je van geheimzinnige dingen, als de zon in je kamer scheen en de mus-schen kruimels van *t kozijn pikten...
Zou ’t leven daar nét zoo zijn ... zoo dof, zoo verstikkend, zoo andrijvend als een plompe mist, zoo benauwend als een kleine heete kamer met een rhumatieke moeder .. .
Zei ’t iets in ’t leven, als je je verkocht an ’n man, an ’n vreemde vent, als dat leven nou toch eenmaal zoo was, als ’t je liet doodgaan op je stoel, terwijl de musschen van ’t kozijn naar de daken en van de daken in de lucht vlogen . ..
Wat kon *t haar schelen .. . wat kon *t haar schelen ... morgen zou ze de zakdoeken af borduren .... als ze moeder gewreven had... , zou ze stokvisch gaan koopen bij Fuente in de van Wou ..., waar ze altijd augurkies uit de vaten snoepte ..., zou ze telegrafeeren naar Semarang ... waar of dat lag... en wat of dat kostte... as ze nou maar genoeg geld bij „Tesselschade” kreeg voor de stokvisch en ’t telegram ... en dan zou ze de kamer ’n goeie beurt geven... met al dat stoken en niet luchten voor ’t ouwe mensch... werd de boel zoo vies om niet an