ENGAGEMENT. 197
den voet tegen den dorpel. De nagel snee in haar voet. Ze kreeg de tranen in haar oogen van pijn, ging zitten, trok het been op, nam den voet in de handen, beet zich op de lippen. In die houding begon ze te huilen, niet omdat ze zich gestooten had — dat dee wel pijn — dat was minder — om de ellende van ’t leven — om die man die d’r gevraagd had — om de ruzie van vanavond — om al de beroerdigheid — om 't béést d’rnaast... Ze liet zich afglijen van den stoel, lag met het hoofd op d’r rokken en kousen.
Ze snikte niet lang.
Ze was weer in dat doffe gevoel van straks, in de benauwende spanning van het heete kamertje. Ze kreeg wèèr dat gevoel van vroeger, als ze te lang gewerkt had — dat gevoel van nooit meer veerkracht te zullen hebben, nooit meer frissche buitenlucht te zullen inademen, nooit meer te zullen komen tot de kracht om te stoeien als in ver geleefde dagen. Ze voelde de wereld als haar kamer. De wereld was een warme verstikkende kleine ruimte. Zij was er alleen in, alleen en óp. Ze was óp en wachtte niets meer.
Wat zou d’r gebeuren in .. . in. . . Indië. Ze zou varen over de groote zee ... lekker... luchtig... frisch... zooas ze eens gevaren had naar Marken ..., maar ze zou varen met dat altijd-blijvend zwarte loome gevoel... Ze zou daar wonen, zooas ze hier gewoond had ... met hem .. . met hem ... Hij zou liggen waar Riek nou lei... Zij zou wakker worden, met de oogen wijd-open... 't zou even warm, heet, drukkend zijn... ze zou zich den voet stooten... en liggen met het hoofd op de natge-huilde kousen... terwijl hij met z’n rooien snor te slapen lag naast d’r.
Ze verlei het hoofd, keek naar de zwakverlichte