A VOND VERBAAL TJE. 191
ophangt, als we thuiskomen, staan we morgen niet in zoo’n rommel op.”
„Goed, Pop.”
Tegen acht uur kwamen ze terug, vroolijk en lachend. Het was zoo mal geweest om een flesch wijn te bestellen, ’t Was een vreeselijke uitgaaf, maar ze vond het dol-gezellig, net een diner bij rijkelui.
De lamp brandde. Hen lag als een behanger op den grond om het zeil te spijkeren.
„Gooi mijn papieren vooral niet door de war.” „Wat zeg je?”
„Gooi mijn” .. .
„Maar Hen ben je nou gek! Neem die spijkers uit je mond ... als je er een inslikt is het te laat.” „De behangers doen het ook.*
„Praat nou niet! Praat nou niet! Toe doe ze er uit!” Hij lei het natte hoopje spijkers naast zich en gilde van het lachen toen ze met haar stoffigen wijsvinger in z’n mond voelde om te zien of hij ze er allemaal uit gedaan had.
Zingend, opgewekt hing ze een paar portretten op, pakte de kist met boeken uit, speldde prenten tegen het behangsel en hing een snoezige baby van vloeipapier aan de lamp.
’t Begon er gezellig uit te zien. Toen ze geen kleinigheden meer uit te pakken vond, ging ze naast hem op den grond zitten om hem de spijkertjes an te geven.
„Klop toch zoo hard niet, Hen. Je slaat al de koppen door het zeil heen.”
„Dat doe ik met opzet.”
„Waarom?”
„Dan valt de kalk van het plafond, beneden.” „Hè, jazzus, nou doe je me weer an die moord denken! ”