192 A VOND VERHAAL TJE.
„Zoo snuitje!”
„Nee, schei uit met dat zoenen, akeligheid!”
Het zeil was klaar. Nu stond hij op een keukenstoel en hing de gordijnen op.
„Ze zijn te kort, Hen.”
„Da’s niks. Dat kun je van buiten niet zien.” „Wat een gezellige kamer, als-ie angekleed is, hè?” „Zoo, nou doe ik niks meer.”
Ze zaten samen bij de tafel. Pop had koffie gezet. Hen las de krant, die hij aan een kiosk gekocht had.
Doodmoe leunde ze tegen hem aan. Van ’s morgens zes uur waren ze in de weer geweest. Maar ze wou hem niet storen. De heele krant las hij uit. Soms las hij iets voor en luisterde ze slaperig. „Hen!”
Ja/
„Hen!”
Ja, kind.
9ïk val om.”
„Ja, snoetje.”
Hij wond z’n horloge op. Dat was het signaal. „Heb je de deur goed gesloten, Hen?”
Ja.”
„Op het nachtslot?”
„Nee. Bij ons breken ze niet in.”
„Toe, doe het, Hen. ’t Is hier nog zoo vreemd.” Hij ging. Ze hoorde hem beneden. Zou ze nou? Eventjes? Eventjes maar? ... Nee, Hen zou kwaad worden . .. Nou, maar éventjes ...
Ze trok de alkoofdeuren open, streek zenuwach-tig-snel ’n lucifer af, lichtte onder het bed. De lucifer ging uit. Nóg een, gauw.
„...O God!,..”
„Wat kijk je daar?. .. Pop, je bent werkelijk kinderachtig!”