190 AVONDVERHAALTJE.
Hen begon geweldig in de alkoof te schrobben. „Hier heb je nog wat.”
„Mosterd?”
„O, Hen, da’s prachtig tegen vlekken.” „Onzin!”
„Gebruik het nou! Toe!”
Een kwartier lang boende hij met soda, zeep en mosterd. Hij zweette ervan.
„Nou?”
Ja ’t is weg.”
„Zie je nou wel dat ’t geen bloed is, dat ’t bangmakerij was?”
„Maar als er nou toch 9n moord... O, wat vind ik ’t hier eng”...
„Help nou maar uitpakken.”
„Zul je heusch de eerste week *s avonds niet uitgaan ?”
„Nee, heusch niet.”
Ze boende de stoffige alkoofplanken, die Hen een voor een er weer in lei. De beschotten zeemde en zeepte ze af. Hen sjouwde met het groote spring-veeren matras, dat precies moest passen, omdat hij de maat had genomen met een touwtje, toen hij de woning gezien had.
Het bed zakte nauwkeurig in de opening. Pop maakte het op, terwijl Hen z’n handen waschte in de keuken.
„Pop ben je klaar?”
Ja!”
„Vooruit dan! Ik heb honger.”
Ze dee haar mantel om. Ze zouden voor een of twee dagen in een restaurant eten tot de boel klaar was.
„’k Ben blij dat we zoover op orde zijn.”
„Ik ook.”
„Als jij nou het zeil spijkert en de gordijnen