i8o ROUW.
„Dat dacht ik wel.”
„Je zuster Anna was d’r ook en heeft staan huilen om d’r over te halen. — Ze was niet te bewegen. — Nou heeft ze iets... leelijks gedaan” ...
„Wat dan?”
„Het zal je hinderen om ’t te hooren” ...
„Later hoor ik ’t toch... Zeg ’t maar ronduit!”
„Ze zei... as-die om elf uur trouwt, ga ik om elf uur s j i w w e-z i 11 e n” 1).
„Heeft ze ... dat... gezegd?” .. .
„En gedaan ... Ze zei: nou is-ie dood voor me. Achter de gordijnen zat ze sjiwwe.”
1
Sjiwwe-zitten: het gaan zitten op den grond geschiedt in treurdagen als vader, moeder of kind gestorven is.