GRAFJE.
Mag ’k vandaag nog eens van kindren verhalen ? In de eerste plaats hóü ’k van kleine jongens en meisjes; in de tweede ....
Maar argumenten kunnen we onvermeld laten.
Allicht zouden ze tot hatelijkheden aanleiding geven tegenover volwassen medeburgers wier grutterig, grokkig, overigens zeer gewaardeerd bestaan, misschien daarom te verduwen is, wijl het ’n zoo loggen, broeierigen achtergrond vormt van kinderleven, dat je opfleurt óók als boomen kaal in najaarslucht starren, of pokdalige regen de straten bekniest.
Ontzegge ik mij verdre verontschuldigende beschouwingen. ...
In hoog-bloeiend gras zaten drie meisjes en een jongetje. Annetje, dochtertje van ’n winkelier wiens vrouw was gestorven, had één armpje. Het andre leek ’n geknot, rood vleeschstompje.
IJvrig doorzocht ze het grasveld, plukte uitgeloo-pen paardebloemen met het linkerhandje, hield ze met het vleeschstompje tegen haar boezelaar gedrukt. Scherp tegen ’t misvormd armpje staken de brutale gele bloemen.
„’k Hè-d’r weer ’n hééle boel,” zei ze terugkeerend.