GEMEENTERAADS- VERKIEZING. 127
Stips volgde.
„Drommels!”, riep de onaangename dadelijk: „heb je ’r wéér ’n boekenkast bij? Je zult haast ruimte te kort komen!”....
„Ga zitten — ga zitten,” zei Hompelaar, sigaren bijschuivend.
„Laat eerst je gordijnen neer,” glimlachte Stips: „’k Heb geheimen. En zoo ziet ièdereen je zitten”____
Tegelijk nam hij met z’n haakvingers ’n boek uit de kast, trachtte er even in te bladeren. Mis. Niet open gesneden. Stips lachte hatelijk.
„Pas gekocht?” — vroeg hij smeuig-vrindelijk.
„Gister,” zei Hompelaar nerveus. Dat zoo’n vent net altijd ’n önopengesneden boek van de planken nam. Minstens driemaal was ’t op die manier gebeurd.
Stips kuierde naar de andere zij, keek belangstellend naar een zwaar deel over diep-zee-onderzoekingen en een dito over bacteriologie.
’t Laatste tipte-die uit de rij — glimlachte — zette ’t zonder ’r iets van te zeggen op z’n plaats.
Hompelaar, die gehaast de gordijnen had neergelaten, bang voor den gast, keerde zich gejaagd om, zag het lachje. Bijna kleurde hij — praatte druk over ’t eerste ’t beste.
„ Zie je — zie je — alles gelijk lezen gaat
niet — Als je, zooals ik, véél lees —moet je’t met methode doen — niewaar ? — Nee, diè heb ’k op zicht van m’n boekhandelaar ....”
De onaangename had Vondel te pakken. Nooit zou-ie ’m meer in de bibliotheek laten.
„Amice,” zei Stips, den opzicht gezonden Vondel op de drukke tafel deponeerend: ,,’k wou je maar héél kort ophouen. Om met de deur in huis te vallen: ik kom je even vluchtig waarschuwen dat je morgen