DE SNOEPSTER.. 107
weese waarschouwe dat se komme mot — maar se
lijkt geslage Kom nou, juffrouw Kok... 't Sal
soo erreg niet weese” En daadlijk weer pratend
met Ant, weersprekend wat ze pas gezegd had, zei ze gewichtig :
.... „’t Is van driehoog”----
„Van drièhoog!”
„Hij ’s uitgegleje met ’n bak steene ... Motte se sulleke jonge jonges steigerwerk late doen!”____
Ant, de oogen betraand, den neus vegend aan ’r boezelaar, werd nu van eenplots-opstijgende hartlijkheid.
„Kom dan — late we ’r daalijk na toe gaan, hè?” Schoonmaakster Kok schudde van nee — ze kón niet loopen — maar met geweld pakten de twee vrouwen haar onder de armen, steunden ’r, dwongen ’r ’t trapje af, door ’t troepje kakelende vrouwen heen, het steegje in.
Goudvisschen-koopman lei nog uit het raam, het rood boezeroen boven de bloempotten; ’t paarsjekkig-wijf, de hand aan haar jek om de slippen vast te houen, wrong zich naar voren — boven en opzij werden ramen opgeschoven, staken koppen uit kleine kamertjes, leunden lichamen over droogrekken.
Zoo, gearmd, als hechte vriendinnen kwamen ze in de volte der straat. De waschvrouw sjokte mee en de juffrouw-van-de-overzij wou ’r ook meer van weten. Ze kregen gevolg.
Iedereen zag dat ?t klein verlept vrouwtje met het geelbleek gezicht en de verwarde vlasblonde haren onder de muts, te huilen liep, haast niet voort kon.
„Is ze ziek geworden?” — vroeg V een.
„Nee!” zei Ant nijdig.
„D’r soon is van ’n stellage gevalle,” lei buurvrouw uit.