CATARRHUS.
Toen hij het recept in de bus had gestoken, liep hij benauwd-zuchtend op.
Als je gezond was, wist je niet hóé best je 91 had.
En nou dat gesukkel, en nog niet eens wéten. Gissen, gissen, zonder houvast. Al die beroerde la-tijnsche woorden — in plaats dat ze je zèien waar ’t op stond.
In ’t koffiehuis, in den ouwen hoek, zaten Pam en Hobbema. Ze hadden ’t dadelijk in de gaten dat ’r wat mis was.
„Wel man!” riep Pam al van verre: „wat scheelt je? Je ziet ’r zoo pips uit!”
Peter trok kregel z’n jas uit, kwam knorrig zitten. Hij haalde zwaar aan z’n pijp, zei geen woord.
„Is ’r wat met je gebeurd?” vroeg ook Hobbema.
„Nee — géén bitter,” weerde Peter den kelner af, die vanzelf — zóo kende hij de gewoonten — ’n lichte Catz bracht.
„Jij — geen bitter?”
„Sakkerloot!”
Het gaf een heele verwondering. Zelfs de kelner keek gebluft.
„Geef me — geef me ’n kop bouillon” ...
77