DRENKELING 73
uit: „met deze meneer, die zal je vuur kommandeere als noodig is — en dan schiet je maar raak op ’t schip — anders niks. En stil zijn achter de coulissen.* De regisseur sprak kort en beslist, nog uit zijn humeur over een ruzie met een tooneelknecht, dien hij ontslagen had. Tegenspreken liet hij zich niet. Gehoorzamen — of er uit.
* ^ *
De soldaten waren allen gereed, wachtten bij de requisieten-kamer. Kops, korporaal, wandelde op en neer met de handen op den rug. Hij was — ofschoon korporaal — niet bijster vlug van begrip, keek meer naar vrouwelijke figuranten dan naar zijn manschappen.
Zoo’n avond meedoen op ’t tooneel was in elk geval pleizieriger dan opgesloten te zijn in de kazerne. Vlak bij hem luierde de ontslagen tooneelknecht, die zuur rondkeek. Hij hield een slip van het groenzijden kleed vast, waarmee zoo dadelijk de zilte baren zouden nagebootst worden.
Het schip, op groote wielen, lag gereed om den grafelijken ontvoerder op te nemen.
Het orkest speelde er triestig op los.
„Nou jij heb me ’n baantje,” zei Kops tot den
tooneelknecht: „mot dat nou de gracht verbeelde”----
„Ja,” zei de man, korzelig, kwaadaardig op den regisseur: „maar jij hóórt hier niet!”
„Hoor ik hier niet,” protesteerde Kops: „ik ben van de wacht.”
„Dat kan wel, maar je mag hier niet staan”----
„As jij dan maar zeg waar ’k wèl mag,” zei Kops — op z’n teenen getrapt.
En plots had de tooneelknecht een idee, een wraakzuchtige ingeving: