70 OPEN BRIEFJE AAN DEN SCHRIJVER VAN ^ GHETTO”.
Rose Jij.... jij .... O je ben ook ongelukkig ---- ^
Zie je, Heijermans, al die uitdrukkingen en uitroepen hebben me op zekeren avond machtig gehinderd. Ik heb toen gewenscht dat je ze niét geschreven had en bij elke nieuwe zinspeling op de blindheid keek ’k angstig in de zaal naar een plaats in het parterre. Daar zat ’n blinde jongen met z’n moeder. Die jongen snikte afschuwelijk. Afschuwelijk, Heijermans! Hij was jong, erg jong, had rood-gecer-neerde oogranden én oogen van énkel wit. Soms keken ’r menschen om. Het klonk zoo komiek als V niks te huilen viel en je ’t harde snikken hoorde, ’t Hinderde ’n heele boel die eerder reden vonden tot lachen.
]VTn vriend, dien avond had je op één plaats 'n belabberd succes en als ik voor 't komman-deeren had, wou ik je heel dringend brengen tot de bepeinzing van het geval.
Jullie tooneelschrijvers, jullie schrijvers allemaal, emotioneeren er op los, spelen met levenstoestanden en ziekten zonder de enkelingen uit het publiek te ontzien. Het zou mij m’n heele verdere leven spijten als ik zulke tranen veroorzaakt had. Die moeten je méér leed doen, dan zoo 100 maal gespeeld vreugde.
En als ik je ’n goeien raad mag geven — bij den berg dien je reeds te slikken kreeg... Maar nee. Inviteer mij liever méde op het critisch ponsen melk-chocola-avondje. Dan handelen we deze dingen pleizierig onder mekaar af, bereiken misschien een gaaf prettig, goed-gecomponeerd amuse-mentstuk, dat zélfs critici én kofïiehuis-critici tranen doet biggelen en niét ergens in het parterre een stakkerd laat snikken. Voor mij is ’t laatste de treurigste herinnerig aan je stuk dat overigens zoo....
Evenwel gegroet.