OPEN BRIEFJE AAN DEN SCHRIJVER VAN v GHE TT O”. 69
„Het is om te huilen! Het is om je handen te „heffen tegen God — altijd nacht en vijanden „om je heen, vijanden die je niet ziét, vijanden „die zich niet hoeven te verbergen, vijanden die „spotten zonder dat je d’r spot ziet, vijanden die „lachen zonder dat je d’r lach ziet, vijanden die „je vóélt, hier, daar, overal, vijanden met stem-„men, waarin de leugen gevreten ligt...” Later komt Rafaël, de zoon, op — zegt van die blindheid o. m.:
„En ’k hield van je, vader, ’k Hield zièlsveel „van je. Als ’k je tasten zag door den winkel, „de bergplaatsen, dan moest ik haast snikken. „Had ik je niet gekend met je oogen vol leven „en opgewekt? ’t Was zoo verschrikkelijk je „altijd in ’t donker te denken. Soms kneep ik „m’n oogen dicht, hield m’n hand er voor om „’t licht af te sluiten — dan dacht ik: god, hoe „schrikkelijk, hoe vreeselijk — hij heeft de „dingen gekend zooals ik ze ken — nou moet-ie „gissen, de vormen raden, de kleuren raden. . Een poosje verder betuigt Rafaël:
,,’n Blinde beklaag ik zoo innig — ’n blinde „zie ’k voor me als een mensch van wien god’n „ oneindige gelatenheid vraagt én een gróóte berusting — ’n blinde zie ’k als iemand die voor ,,de helft afscheid heeft genomen — van alles ...” En ten slotte (om maar énkele citaten te geven) heeft deze dialoog tusschen Rose en den blinden Sachel in het 3de bedrijf plaats:
Rose. Want wat heb ik dan nog? Dan heb ’k niks meer, niks, niks! O, jij weet niet wat niks is!... Sachel (dof). Ik? Ik? Ik zou ’t niet weten! Rose. O jij ook. Jij ook. Maar niet zoo! Sachel (zachter). Niet zoo? Wat heb ik dan! Ik?...