68 OPEN BRIEFJE AAN DEN SCHRIJVER VAN „ GHE TTO”.
kunnen maken en elkaar vliegen probeeren af te vangen als de boel mislukt is.
Intusschen, niet om dat te zeggen — of liever om *t half onder je aandacht te brengen — schrijf ik je dit episteltje. Een heviger grief bezwaart mij het gemoed. Tegen Ghetto heb ik bedenkingen van anderen, meer principieelen aard. Wanneer ik de gaaf bezat om een stuk van snikken en glimlachjes in elkaar te zetten — te dichten gelijk de term luidt — dan zou het mijn verlangen zijn, een beter soort aandoening te verwekken. En daarop zinspelend, zeide ik mij ongerust te gevoelen over je roerselen. Ik heb eens een parket-dame ongesteld zien worden, toen Hamlet op het kerkhof een doodskop in z’n handen nam. Dat trof me. Ik heb eens een heer flauw zien vallen in de scène van Rank in Nora. Ik kreeg kippetjesvel. En langzaam groeide in mij de stelling — zoo je wilt — dat ’n dramatisch auteur alles moet trachten te vermijden wat iemand — wiè ook — onaangenaam zou kunnen stemmen. Primo kom je in ’n schouwburg om je te amuseeren, ’t zij met huilen, ’t zij met lachen: het amusement echter hoofdzaak. Secundo moet je in ’n theater hóóger gestemd raken, buiten verband gebracht met je eigen zaken, smartjes, zorgen enz. Als je bijv. veel schulden hebt, moet je geen griezelig treurspel hooren afspelen in een familiekring waar de beertjes ’n eerzaam man naar den deur-waarders-afgrond voeren. En nu had ik bij Ghetto een zeer pijn-doende ondervinding. Ik meen pijndoend in de ware beteekenis van het woord. Luister, m’n vrind. — In het eerste bedrijf zegt Sachel, sprekend van z’n blindheid: