OPEN BRIEFJE AAN DEN SCHRIJVER VAN„GHETTO”. 67
je geraden hebben meerdere van straks genoemde roerselen in je stuk te deponeeren en minder onhandigheden te begaan; — had je daarna eventjes beminnelijk met C gecauseerd: je zou er toe gekomen zijn de dienstmeid in het 3de bedrijf voor een koud bad te bewaren en haar als wettige huisvrouw aan je held toevertrouwd hebben; daarenboven zou je dan bewaard zijn gebleven voor je perverse handigheid. Deze drie voorbeelden leeren je, mon ami dat een gezellig onderonsje met diè en met de honderd andere Neder-landsche critici (er zijn er meer: ik taxeer ins blaue hinein) je stuk op gemakkelijke, aangename, der vaderlandsche (nationale) tooneelschrijfkunst ten beste komende wijze, verbeterd zou hebben of liever er alle slechte qualiteiten aan ontnomen. Te duivel, mon cher, (excuseer den vloek, maar als, je de gevallen wèl beschouwt is het om te vloeken, d. w. z. in het hyperbeschaafde) begrijp je dan niet, dat op de door mij beschreven methode eindelijk een volledig stuk verkregen kan worden? Nou ploeteren jullie „dramatische auteurs” maar in ’t wilde. Nou cristiseeren de honderd-zoo-veel critici voor de vuist weg. Kunnen jullie in een tijd van zoo alom gehuldigde samenwerking dan niet de handen ineen slaan ? Als jij ’n volgend stuk op ’n ponsavondje brengt en je verbetert al wat ze opmerken (met wat handigheid en onhandigheid geef je ieder z’n zin) heb je kans een goed werk te leveren, terwijl ’t nou prutsen blijft — ja: prutsen, niks dan prutsen, meneer. Jij prutst. En de critici prutsen. Jullie dempen den dramatischen put als ’t treurspel-kalf verdronken is. Ecrire une pièce c’est prévoir, monsieur! ’t Is om erger dan nijdig te worden, dat zóóveel talentvolle critici en zooveel aankomende auteurs samen nog niks dragelijks