OPEN BRIEFJE AAN DEN SCHRIJVER
VAN „GHETTO”.
Amice l
Na eene zóó korte kennismaking, is het mogelijk onbescheiden u op meer dan vriendschappelijke wijze toe te spreken. Ik waag het. Want hetgeen ik te zeg gen heb, raakt niet alleen uw dierbaar stuk (waardoor ik tusschen haakjes ook een meening — en wélk een pootig-door-dachte! — heb) maar in wijderen zin diè deelen van uw eigen ik, die men gewoonlijk als roerselen der ziel aanduidt. Amice, ik maak mij een weinig over uw roerselen ongerust. Op de on verantwoordelijkst e manier doet gij smart door gemoederen trillen, raakt de gevoeligste snaren op zulk eene listige wijze, dat het mij eenigszins benauwt. Zoo heb ik ergens gelezen dat in uw stuk „smart, schaterlach en bittere spot een „wilden krijgsdans voeren, waarvan de laatste soms „de stem der droefheid overschreeuwt.” Zulke lyriek wordt bedenkelijk. In het algemeen vind ik alle critriek bedenkelijk, lyrische of spottende of verstandige en zou ’k — wanneer ’k er óóit toe kwam, op dramatisch terrein eene buiteling of tour de force te ver-
Schetsen Falkland. IV.
65
5