SPIEGEL.
„Mark” ....
Onverschillig keek hij op.
Zij had zich iets opgericht, leunde met de ellebogen op het kussen.
„Riep je?” vroeg hij toonloos — om iéts te zeggen.
„Mark!” weende ze zachtjes.
„Laten wij niet sentimenteel worden,” zei hij koel.
„O, wat ben je hardvochtig, wat blijf je schrikkelijk wreed” ....
Ze zakte weer terug — het hoofd op het kussen, de oogen gesloten.
Het schimde even in hem op naar het bed te gaan, haar hoofd in z’n handen te nemen.
Maar ook weer dadelijk was hij meester van zijn wil. Het zou niet kunnen, nóóit kunnen. Wat gebroken was — werd niet meer heel.
Stroef vouwde hij de courant glad, las over de regels heen, beluisterde haar ademhalen.
De dokter kwam binnen, groette, zette zich neer bij het bed, voelde den pols van de zieke.
Zij bewoog niet, ademde flauw.
Het was alsof zij haar laatste krachten uitgeput had door hém te roepen.
Rustig liet hij den dokter uit. En op het portaal, voor de deur, ging het kort fluistergesprek:
205