204 ZELFMOORD.
plaasie binnen-in open, waar ze kon uitrusten.
Ingedeukt zat ze in een hoek, den natten mantel om de schouders geperst, de handen in den schoot. Flets, rimpelig, tanig gelaat leek vermagerd door den schijn van het lamplicht. De magere, dunne neus kromde over de bleeke lippen, de oogjes doezelden in slaap — de tram rijdt zoo lekkertjes.
En in de Vijzelstraat stapte kamervrouwtje weer uit, huiverig, moe. De winkels waren nog open. Toen dacht ze er aan om een ons rozijnen voor ’t koekedeegie te koopen. Rozijnen was zoo veel beter dan krenten.