192 VAN EEN TOT OVER DE OOREN VERLIEFDE ENZ:
vreeselijke beteekenis van begrijpt. Onze held kreeg het zoo benauwd, zóo gruwelijk, dat ik mij móet onthouden van eenige descriptie.
Het werd een kor^e, heftige jacht.
De rooie vluchtte van onder de sofa, smeet de pullen van het tafeltje bij het raam, stortte krijschend op den schoorsteen, wierp een vaas af — de zwarte, rennend over den grond, soms met een ruk vliegend en springend, had op het buffet een slordige verwoesting aangericht.
In minder tijd dan ik noodig heb om dit laatste te vertellen, was de grond bezaaid met scherven» lag de jeugdige verliefde in een hoek te spartelen met de r o o i e die hij eindelijk te pakken had en — ging (als dat niét gebeurd was zou het onvolledig zijn gebleven) de deur open....
De vader en zij !
De rest zult ge begrijpen. Onze held maakte zijn excuses, bood schadevergoeding aan — de arts wees hem woedend de deur.
Het érgste wachtte in de gang.
Daar hoorde hij meneer in de kamer uitvaren:
„ .. .. ’t Lijkt wel of ’k ’n gans getrouwd heb t Had je die vent niet buiten kunnen laten wachten! *