EN VAN KIPPEN, 19 r
vaasjes, poppetjes, karaffen, allemaal blauw goed. Aardige liefhebberij. En duur, hoor! Nou! D’r stond voor ’n duit.
Onze jeugdige kruidenier begon op zijn stoel te bedenken wat hij den vader zeggen zou. Het plan was helder en voortreffelijk. Bij een veearts kom je natuurlijk met vee. *t Zou dus van een leien dakje loopen, als hij advies vroeg over de kippen — de een die was verkouen — de ander lei niet meer. En als-ie dan ’n paar maal in de week met de patiënten terug kwam had-ie ’n prachtige gelegenheid om met papa èn dochter kennis te maken. Zij was ’n beeldje, ’n snoep.
Nog eens stond hij op, bewonderde het portret, de oogen, het mondje — en.... Zoo ik een roman schreef zou ik zeggen: plotseling stiet hij een rauwen kreet uit, nu ik echter zulke eenvoudige avonturen verhaal, moet ik mij vergenoegen met te verklaren, dat hij even, doch zeer beslist vloekte en in de lucht greep.
Had de liefde zijn vingers ontspand of hadden de kippen venijnig gerukt ? Hij wist ’t niet. Zeker was ’t dat ze vrij over den grond fladderden en dat de eene achter het vuurscherm tevreden kakelde.
Als een razende bukte onze jeugdige vriend, maar met kippen valt niet te gekken.
De twee vluchtelingen waren geenszins gekortwiekt en schenen van plan hare vrijheid te verdedigen.
De rooie schoot onder de sofa — de zwarte, nijdig-schreeuwend, vloog over de tafel, voorbij de lamp öp het buffet. Er viel een héél lief Delftsch vaasje op de grond ■—■ pats — in scherven.
Men spreekt dikwijls in boeken en daarbuiten van angstzweet. Ik geloof dat men helaas meestal met dat woord schermt, er althans niet de