190 VAN EEN TOT OVER DE 00REN VERLIEFDE
an, z’n kamgaren jassie, z’n boord, z’n das met rooie stippels, z’n bottines — de baas kamde z’n haar glad en plakkend — de baas had zich extra laten scheren (anders maar eenmaal in de week) — toen dook-ie in den kelder — hoorde je de kippen schreeuwen en kakelen — zag j’m de straat opgaan, in elke hand een nóg angstig-nakakelende kip. De baas was getikt — of de baas had ’n lief-ie an de hand. Zoo slim was ’t knech-ie ook wel.
Bij nummer 198 klopte het hart des jeugdigen verliefden. Hij stond voor een buitengewone moeie-lijkheid. Hoe te schellen? Hoe haar te groeten.
Kordaat nam hij de beide kippen in één hand — wat zijn ongeluk zou zijn — schelde.
Zij opende zelf.
„Is meneer thuis, de dokter?” — vroeg hij haperend, met een drijvend lachje.
„Wou u de dokter spreken?” — zeide zij, vrindelijk.
„Om u te dienen.”
„Dan moet u een kwartiertje wachten.”
„O uitstekend — uitstekend,” zei hij, de kippen in de eene, den hoed in de andere hand.
Zij liet hem in de achterkamer, sloot de deur. Zenuwachtig, verlegen zat hij met de kippen op zijn schoot, hoorde haar naar de voorkamer gaan. Wat een engel! Wat een oogen! Op den schoorsteen stond haar portret. Voorzichtig, op de teen en, liep hij er heen, de kippen stevig vasthoudend, keek met dikke verliefdheid.
Toen snuffelde hij verder. Het was een netjes-aan-gekleede kamer. Je kon zien dat ze er goed inzaten. Op den schoorsteen een prachtig garnituur van Delftsch aardewerk — bij het raam een tafeltje met blauwe pullen — bij den schoorsteen een buffet met