VAN EEN TOT OVER DE OOREN VERLIEFDE EN VAN KIPPEN.
Hij was een jeugdig kruidenier. Ik zeg dit niet bij wijze van geringschatting, laat zelfs de mogelijkheid in het midden dat hij spekslager was.
Voor het begrijpen zijner avonturen is de kennis van z’n maatschappelijke positie geen positief vereischte.
Ik wil u evenwel zoo nauwkeurig mogelijk inlichten en herhaal dus dat hij kruidenier öf spekslager was — in elk geval het gros zijner uren achter een toonbank doorbracht.
Hij was weduwnaar. Hoe dit klopt met z’n jeugd kan ik inderdaad niet verklaren. Ik veronderstel dat hij zéér vroeg getrouwd, z’n vrouw verloren had. Mijne informaties laten aan zekerheid, beslistheid, getrouwdheid niets te wenschen over.
Hij was een jeugdig kruidenier, weduwnaar èn verliefd.
Verliefd tot over de ooren, gelijk ik in den aanhef zeide, verliefd op een jonge dame, die ongeveer daaglijks boodschappen bij hem kwam doen en iedermaal contant betaalde.
Dat had z?n aandacht getrokken. Zij beerde niet, pofte niet, stelde niet uit, vroeg geen weekboekje:; zij betaalde contant.
187