i86
„Jan! Jan!” schreeuwde ze: „O Jan, wor ?r niet boos om!”
Maar hij snurkte, sliep met den mond wijd-open, de vettig glimmende oogleden zwaar-gesloten.
De helft van den baard slierde over het overhemd tot ver over den buik, had goudglansjes in ’t licht —-daarnaast het hideuze gelaat met de kleine, stoppelige kin, het uitwerkend jukbeen, den vergrooten neusvleugel.
Toen poogde zij het resteerend deel te knippen* kon niet meer.
En krankzinnig-van-angst, klappertandend, sloop zij naar boven, sloot zich op in haar kamer, afschuw-lijk-bevreesd voor wat gebeuren zou — morgen . .. .